wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas thema 3 Ordening

Total questions: 36

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Bij de ordening van de organisme wordt gebruik gemaakt van vier rijken. Welke zijn dat? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Planten

b)

Geleedpotigen

c)

Dieren

d)

Bacteriën

e)

Schimmels

2.

In de afbeelding zie je een dier. Tot welk rijk, welke stam en welke klasse behoort dit organisme?

a)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: insecten

b)

Rijk: dieren, Stam gewervelden en Klasse: zoogdieren

c)

Rijk: dieren, Stam: gewervelden en Klasse: insecten

d)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: kreeftachtigen

3.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Waar komen amfibieën voor? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Op het land

b)

In de lucht

c)

In het water

5.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

6.

Welk dier is niet-symetrisch? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Kwal

b)

Slak

c)

Gele buis spons

d)

Zee-egel

7.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

8.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

9.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

10.

Je ziet hier 2 ijsberen. Welke aanpassingen hebben ijsberen dat zij goed kunnen overleven in op de Noordpool?

a)

ze zijn koudbloedig en hebben een dikke vacht

b)

ze zijn koudbloedig en lopen op hun hele voet

c)

ze zijn warmbloedig en hebben een dikke vacht

d)

ze zijn warmbloedig en lopen op hun hele voet

11.

Een zebra leeft in warme gebieden. Zou een zebra ook in koude gebieden (Alaska, Noordpool) kunnen leven? En een krokodil?

a)

zebra wel, krokodil wel

b)

zebra wel, krokodil niet

c)

zebra niet, krokodil wel

d)

zebra niet, krokodil niet

12.

Een dier heeft de volgende kenmerken:

- huid met vacht

- levendbarend

- planteneter

Welke groep is dit?

a)

reptielen

b)

amfibiën

c)

geleedpotigen

d)

zoogdieren

13.

Reptielen behoren tot de stam gewervelde.

Welke 4 groepen behoren er ook tot de gewervelden? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

insecten

d)

vogels

e)

zoogdieren

14.

Deze dieren zijn koudbloedig, hebben droge schubben, leggen eieren met leerachtige schaal.

Bij welke van de groep uit de gewervelde hoort deze omschrijving? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

15.

Welke groep uit de stam gewervelde is levend barend? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

16.

Deze dieren halen ook adem via de huid, hebben een slijmerige huid, leggen eieren zonder schaal

Bij welke van de groep uit de gewervelde hoort deze omschrijving?

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

17.

Welke klasse van de gewervelden zijn koudbloedig? meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Vissen

b)

Vogels

c)

Reptielen

d)

Amfibieën

18.

Bruinvissen leven in zee. Ze halen adem met longen en ze zijn warmbloedig. Tot welke groep van de gewervelden behoort de bruinvis?

a)

Amfibieën

b)

Reptielen

c)

Vissen

d)

Zoogdieren

19.

Bacteriën bestaan uit meerdere cellen

a)

juist

b)

onjuist

20.

Een kwal is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

21.

Bij welke STAM van het dierenrijk hebben de dieren een uitwendig skelet?

a)

Geleedpotigen

b)

Gewervelden

c)

Neteldieren

d)

Stekelhuidigen

22.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

23.

Prokaryoten hebben geen celkern

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Prokaryoten zijn altijd eencellige organismen.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Eukaryoten hebben altijd een..

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Nooit een celkern

d)

Soms een celkern en soms niet

26.

Wat is waar over een dier?

Een dier heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

b)

geen celwand – wel een celkern – geen

bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

27.

Welk kenmerk hebben gewervelden allemaal?

a)

Een inwendig skelet van kalk

b)

Leggen eieren met een schaal

c)

Hebben een huid met een vacht

d)

Hebben allemaal een skelet met een ruggengraat (wervelkolom).

e)

Hebben allemaal kraakbeen

28.
Welk dier is veelzijdig symmetrisch
a)
Zeekomkommer
b)
Zeebaars
c)
Zeester
d)
Dolfijn
29.

Welk dier heeft geen inwendig skelet? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
30.
Het huisje van een huisjesslak is een voorbeeld van een...
a)
Inwendig skelet
b)
Beschermend skelet
c)
Hard skelet
d)
Uitwendig skelet
31.
Waarom leven de meeste dieren zonder skelet onder water?
a)
Deze dieren kunnen niet tegen de lucht.
b)
De dieren hebben kieuwen
c)
De dieren hebben geen skelet nodig.
d)
Deze dieren hebben geen stevigheid nodig, omdat alles zweeft onder water.
32.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

33.

Tot welke STAM behoort de kreeft?

a)

Gewervelden

b)

Kreeftachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Stekelhuidigen

34.

welke van de onderstaande celkenmerken wordt niet gebruikt bij ordening?

a)

celkernen

b)

celwanden

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

35.

Wat voor soort skelet heeft een mossel?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

geen skelet

36.

Neteldieren hebben;

a)

Meestal wel een skelet en zijn veelzijdig symmetrisch.

b)

Meestal wel een skelet en tweezijdig symmetrisch

c)

Meestal geen skelet en zijn veelzijdig symmetrisch.

d)

Meestal geen skelet en tweezijdig symmetrisch

e)

Een kalk skelet en niet symmetrisch